Plus

Nieuw boek laat zien: ook de Gouden Eeuw kende veel singles

Amsterdam is een stad van singles. Dat was in de Gouden Eeuw niet anders, zo staat in het boek Ja, ik wil! van René van Weeren en Tine de Moor. Uit Amsterdamse ondertrouwakten blijkt dat de manier waarop we relaties (niet) aanknopen de afgelopen eeuwen amper is veranderd.

Een vozend paartje ten tijde van de Gouden Eeuw. Beeld Gesina Ter Borg

Hoewel het aantal huwelijken sinds 1990 landelijk gestaag afneemt, is de Amsterdamse daling opvallend. In 2017 was ruim 60 procent van de Amsterdammers ongehuwd, ook het aantal singles in de stad is groot. Opvallend is de grote groep Amsterdamse bruiden 'op leeftijd', vrouwen tussen de 30 en 35 jaar die voor de eerste keer trouwen.

Dat was eeuwen geleden niet anders, blijkt uit het nu verschenen boek Ja, ik wil! Verliefd, verloofd, getrouwd in Amsterdam 1580-1810 van René van Weeren en Tine de Moor.

Het aantal gehuwden dat in de Gouden Eeuw voor hun 25ste al in ondertrouw ging, was duidelijk in de minderheid. In tegenstelling tot bijvoorbeeld Toscane, was er bij eerste huwelijken een gering leeftijdsverschil tussen man en vrouw. Daarnaast was het ook in het Amsterdam van de 17de en 18de eeuw niet uitzonderlijk als je een ­leven lang ongehuwd bleef.

De man en vrouw die in 16de-eeuws ­Nederland elkaar uit vrije wil trouw beloofden, waren eigenlijk al getrouwd. De kerkelijke inzegening werd louter beschouwd als een extra bevestiging van het huwelijk. Zwaarwegender was de trouwbelofte, waar niemand zomaar onderuit kon komen (zie kader).

Alleen in situaties waarbij de trouwbelofte duidelijk onder dwang of misleiding was geschied, of in gevallen waarbij beide partners elkaar ontsloegen van hun ­belofte, kon het aanstaande huwelijk zonder al te veel consequenties worden geannuleerd. Was de relatie echter al geconsummeerd door geslachtsgemeenschap, dan was het verbreken van de trouwbelofte lastiger.

Twee getuigen
De katholieke kerk scherpte in 1563 de huwelijksregels aan. Voortaan was een huwelijk alleen geldig als het huwelijk werd gesloten in de kerk en in aanwezigheid van de eigen priester. Als het huwelijk door een andere priester werd voltrokken, dan moesten er twee getuigen aanwezig zijn.

Het aanstaande echtpaar moest hun voorgenomen huwelijk aankondigen op drie achtereenvolgende zondagen voorafgaande aan de ceremonie. Ondertrouw en huwelijken moesten door de priesters worden geregistreerd.

De vroegste Amsterdamse trouwregisters dateren uit 1565, slechts twee jaar na afkondiging van het pauselijk decreet. Tijdens Pasen van dat jaar werden Jan Andrieszen en Elbertgen Hessels als eerste bruidspaar in het trouwregister van de Oude Kerk genoteerd. De in het Amsterdamse Stadsarchief bewaarde Amsterdamse trouwakten bevatten ook uitzonderlijke persoonlijke details over de aanstaande bruids­paren.

Ze vormen een schat aan informatie over beroepen, handel, de rol van vrouwen op de ­arbeidsmarkt en immigratie.De Bank van Huwelijkse Zaken
Met de afzetting en verbanning van het rooms-katholieke Amsterdamse stadsbestuur op 26 mei 1578 kwam ook een einde aan het katholieke monopolie op de huwelijkswetgeving.

De nieuwe Bank van Huwelijkse Zaken werd door het stadsbestuur ingesteld voor het afhandelen van alle formele zaken rond huwelijken. De commissarissen zagen erop toe dat het huwelijk door beide partijen zonder dwang werd aangegaan.

Ook moest het bruidspaar een aantal vragen beantwoorden: over hun ouders, hun woonadres en de verblijfsduur in Amsterdam. Uit de studie van Van Weeren en De Moor blijkt dat de meeste huwelijken in de periode tussen 1580 en 1810 werden gesloten binnen de eigen geloofsgemeenschap.

Hoewel na de Alteratie het huwelijk werd gezien als een juridische gebeurtenis waarop de wereldlijke wetgeving van kracht was, diende een gereformeerde partner in een gemengd huwelijk door geloofsgenoten ernstig vermaand en gewaarschuwd te worden.

Na 1755 verspeelden gereformeerde mannen met een katholieke vrouw hun kans op een ambtelijke functie. Ook mochten gemengde stellen niet langer lijfrentes op elkaar afsluiten.

Directe aanleiding voor die strenge regels was het huwelijk van de schat­rijke, gereformeerde burgemeestersdochter Margaretha Cornelia van de Poll (1726-1798) met de Franse - en vooral katholieke - diplomaat graaf Pierre Crisostome Comte d'Usson de Bonnac (1724-1782).

De omvang van de stroom arbeidsmigranten en geloofsvluchtelingen naar Amsterdam in de Gouden Eeuw zorgde niet alleen voor een stijging van het aantal huwelijken. Ook het aantal huwelijken tussen Amsterdammers en mensen van buiten de stad nam een vlucht. Die stijging is het sterkst zichtbaar in de eerste helft van de 17de eeuw, als het aantal autochtone huwelijken in de minderheid is.

René van Weeren en Tine de Moor, Ja, ik wil! Uitgeverij Prometheus, 256 blz.,
€ 24,99.

Beeld Gesina Ter Borg

Huwelijksgekrakeel

Verwikkelingen die een huwelijk mogelijk konden verhinderen, werden door de Bank van Huwelijkse Zaken opgetekend in de zogenaamde krakeelregisters. In dat Amsterdamse krakeelregister duikt op 23 oktober 1649 de zaak op van Rembrandt van Rijn en zijn toenmalige huishoudster en kindermeid Geertje Dirckx, die de schilder aan zijn trouwbelofte wil houden.

Of als er geen huwelijk inzit, hoopt op financiële ondersteuning. Na beraadslagingen luidde het vonnis van de commissarissen dat Rembrandt haar 200 gulden per jaar moest betalen. Hoewel Rembrandt het vonnis niet betwistte, lukte het hem door manipulatie Dirckx in een dusdanig kwaad daglicht te stellen dat zij uiteindelijk vijf jaar werd opgesloten in het Spinhuis in Gouda.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met Het Parool?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van Het Parool rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@parool.nl.